Structuur en veiligheid
Een belangrijke voorwaarde is dat leerlingen zich veilig voelen op school. Bij een onderwijsconcept waar leerlingen een grotere vrijheid hebben in de activiteiten die ze uitvoeren is het van belang dat de omgeving voldoende structuur biedt. Dit betekent onder meer duidelijke regels waar iedereen in school zich aan houdt (kinderen en volwassenen). Deze regels hebben te maken met respectvol omgaan met elkaar, naar elkaar luisteren en serieus nemen, elkaar aanspreken op ongewenst gedrag, het nakomen van afspraken en de wijze van samenwerking. Andere regels hebben betrekking op het zorgvuldig omgaan met materiaal, het gebouw en de omgeving. Naast regels zijn er ook structuren zoals een vast dagprogramma, overzichtelijke dag- en weektaken voor kinderen met terugkerende vaste werkvormen.

Persoonlijke vaardigheden
Om in de maatschappij van straks te kunnen bewegen, moeten kinderen naast een hoeveelheid kennis en schoolse vaardigheden ook beschikken over denkvaardigheden, over communicatieve en sociale vaardigheden. En die leer je door te dóen, in interactie met anderen. Kinderen leren van de leerkracht, leren van elkaar, leren door te luiste­ren, door te overleggen en door te doen. En leren daarbij het meest als ze zelf actief kunnen zijn en betrokken. De leerkrachten zijn voortdurend alert op deze ontwikkeling want dat leer je namelijk niet vanzelf. We gebruiken verschillende samenwerkende werkvormen in het dagelijkse lesgeven, bij rekenen, taal en bij het werken met kernconcepten. Kinde­ren raken met elkaar in gesprek, kinderen leren samen en daardoor is het leren interactief.

Taal, lezen en rekenen zijn basisvaardigheden die essentieel zijn voor alle kinderen. Deze basisvakken leggen het fundament voor alle andere vakken en het leren. Wij zorgen dat deze basis in orde is en werken gericht aan de opbrengsten ervan. Bij het werken aan de basisdomeinen is er dan ook sprake van opbrengstgericht onderwijs. Het is van belang dat leerlingen deze vaardigheden op een goede manier aanleren. 

Het aanbod van de basisdomeinen wordt bepaald door de leerkracht. We hanteren de doorgaande lijn van de leermethoden taal, lezen en rekenen. De leerkracht is bij het werken met de basisdomeinen rolmodel en trainer (‘meester’): ze leren kinderen de vaardigheden op een juiste manier toe te passen. Het leren van de basisvaardigheden gebeurt veelal volgens een vaste structuur van instructie, oefening en toetsing. Het aanbod wordt zoveel mogelijk afgestemd op de mogelijkheden van de leerling (minder-, meer- en hoogbegaafdheid). Leerlingen werken op niveau in diverse instructiegroepen. 

Het oefenen en toepassen van de basisvaardigheden (taal, lezen, rekenen en creatieve vaardigheden) wordt ook geďntegreerd binnen het werken met kernconcepten. Omdat we goede resultaten op het gebied van de basisdomeinen belangrijk vinden, kiezen we voor een traditionele manier van beoordelen middels toetsen, cijfers, een rapport en driemaal per jaar een oudergesprek.